Donorkind vind na 31 jaar haar vader (3)

Donor en donorkind ontmoeten elkaar na 31 jaar

17 maart '16

Mijn verhaal begint in 1983 in het UZ in Leuven. Door vruchtbaarheidsproblemen konden mijn ouders niet via de natuurlijke weg kinderen krijgen. Hun behandelende arts stelde voor om beroep te doen op donorsperma, en zo geschiedde. Negen maanden later werd ik geboren.

Ik heb 21 jaar geleefd in de overtuiging dat mijn vader mijn echte vader was. De arts had mijn ouders destijds geadviseerd om de donorbehandeling geheim te houden. Tien jaar geleden kwam ik er toch achter dat ik een donorkind was, verwekt met behulp van een anonieme spermadonor die ik nooit zou kennen.

Tien jaar lang heb ik mannen van middelbare leeftijd anders bekeken. Ze konden allemaal mijn verwekker zijn

Tien jaar lang heb ik me afgevraagd wie mijn biologische vader is, de oorsprong van half mijn genen. Genen die er mee toe geleid hebben dat ik ben wie ik ben. Ik wilde weten hoe hij eruitziet, wat voor karakter hij heeft, wat hij doet in het leven, of ik op hem lijk, of hij intussen zelf kinderen heeft. Mijn behoefte om meer te weten was erg diepgeworteld.

Tien jaar lang heb ik mannen van middelbare leeftijd anders bekeken. Ze konden allemaal mijn verwekker zijn. Op de trein, op straat, in de winkel: overal waar ik kwam werd mijn blik afgeleid naar mannen die het zouden kunnen zijn. Ik scande hen vliegensvlug en besloot of ze wel of niet in aanmerking kwamen. Het werd een onbewuste reflex. Verder kon ik daar natuurlijk niks mee. Ik ging geen wildvreemde mannen vragen of ze alstublieft een haarlok of wat wangslijm konden missen.

Ik had het gevoel dat mij iets was afgenomen.

 Tien jaar lang heb ik gezocht, op een manier die je amper zoeken kunt noemen. Er was immers geen beginnen aan. Ik wist dat ik geen schijn van kans maakte. De donor was anonimiteit beloofd, en mijn ouders hadden daarmee ingestemd. Als nog ongeboren kind had ik natuurlijk weinig inspraak. Ik heb dit altijd vreselijk onrechtvaardig gevonden. Ik had het gevoel dat mij iets was afgenomen, iets wat mij toebehoorde: essentiële informatie over wie ik ben.

Ik stopte niet met zoeken, al speelde het zoeken zich lange tijd enkel in mijn hoofd af. Ik verzon manieren om hem toch te kunnen vinden. Ik fantaseerde over nachtelijke inbraken in het archief van de fertiliteitskliniek. In gedachten schreef ik brieven naar alle mannen die in 1983 student waren aan de KULeuven. Nooit ondernam ik echt iets.

Het gaf een sprankeltje hoop in een tot dan toe compleet hopeloos verhaal.

 Tot drie jaar geleden, toen ik me inschreef bij een DNA-databank in Nederland. Ik had ontdekt dat anonieme spermadonatie er sinds 2004 bij wet verboden is. Voor eerder geboren donorkinderen had men een register opgericht, waarin donorkinderen en donoren vrijwillig hun DNA kunnen laten opnemen.

Mijn inschrijving was eigenlijk een absurde onderneming: ik ben in België verwekt, dus de kans dat ik in Nederland mijn donor zou vinden was miniem. Maar het kon geen kwaad, en het gaf een sprankeltje hoop in een tot dan toe compleet hopeloos verhaal. Het was het enige wat ik kon ondernemen. Daarna probeerde ik er niet te veel aan te denken. Ik wilde niet zitten wachten op Godot.

Ik heb altijd geloofd dat mijn biologische vader in zijn naïeve studentenjaren spermadonor was geweest, zonder de volledige impact daarvan echt te vatten. Ik geloofde dat hij intussen ouder en wijzer was, en zou begrijpen dat het voor zijn donorkinderen belangrijk kon zijn om uit de anonimiteit te treden.

Winnend lot

Enkele maanden geleden word ik verrast door een telefoontje van Fiom, de organisatie die de Nederlandse databank beheert. De man aan de andere kant van de lijn vertelt me dat ze mijn DNA hebben kunnen matchen. “We hebben je donor gevonden”. Ik geloof mijn eigen oren niet. Ik barst in tranen uit en vraag wel tien keer of het echt waar is. “Ja, het is echt waar”. Ik sta te trillen op mijn benen, en probeer het nieuws te laten doordringen.

De dagen na het telefoontje sta ik vaak voor de spiegel, net zoals tien jaar geleden toen ik ontdekte dat ik niet was wie ik dacht te zijn. Ik kijk nu met een andere blik. Ik zal eindelijk weten waar ik vandaan kom. Ik huil tranen van geluk. Onwaarschijnlijk geluk. Het voelt alsof ik de lotto gewonnen heb. Mijn donor heeft dezelfde absurditeit ondernomen als ik destijds: zich inschrijven in de Nederlandse databank. Alsof we elkaar via die weg zouden vinden! Toch wel. En ik maar wachten op die Belgische databank.

Ik voel me plots heel verbonden met hem. Bizar, want ik heb de man nog nooit ontmoet. Maar het lot wil daar blijkbaar verandering in brengen, en dat vind ik prima. Het voelt niet aan als stom toeval. Wel alsof iets of iemand dit voor mij geregeld heeft. Het voelt als een ongelooflijk waardevol geschenk, waarvoor ik enorm dankbaar ben.

Mijn wortels nestelen zich in herkenbare aarde, en dat voelt goed.

De ontmoeting

Twee weken later ontmoet ik mijn biologische vader. Ik kan hem in de ogen kijken, zijn stem horen, bestuderen hoe hij eruit ziet. Ik herken trekken van mezelf, vooral mijn neus. Ik zie plots ook veel helderder hoe sterk ik op mijn moeder lijk. Alles wordt duidelijker. Alsof je eindelijk een puzzel kunt oplossen waar je jarenlang naar hebt zitten turen.

Het is een fantastisch gevoel. We ontdekken enkele markante overeenkomsten: we spelen allebei saxofoon, we koken allebei graag, we zijn allebei goed in statistiek. Allemaal eigenschappen die ik nooit heb kunnen thuisbrengen bij mijn ouders, maar nu wel kan plaatsen. Ook al is het toeval, het kan me niet schelen. Mijn wortels nestelen zich in herkenbare aarde, en dat voelt goed.

Opnieuw op zoek

Stilaan besef ik hoe mijn leven weer een nieuw hoofdstuk aanvat. Na tien jaar kan ik een punt zetten achter een zoektocht waarvan ik dacht dat die levenslang zou duren. Mannen van middelbare leeftijd degradeer ik opnieuw tot willekeurige passanten die me verder niet interesseren. Ze kunnen niet meer allemaal mijn vader zijn. Ik mag stoppen met zoeken en scannen. Er daalt een ondefinieerbare rust over me neer.

Ik ben blij met die rust, met dat nieuwe hoofdstuk in mijn leven. Maar paradoxaal genoeg brengt het nieuwe hoofdstuk ook weer onrust teweeg. Dat ik mijn biologische vader wilde kennen, dat was altijd zonneklaar voor mij. Maar wat ik verder van hem verlang of verwacht, dat is een andere kwestie.

Hij is ook niet zomaar een vriend of een kennis, want daarmee deel je geen bloedband.

Noodgedwongen ga ik opnieuw op zoek. Niet naar wie hij is, maar wel naar wat hij nu voor mij zal betekenen, en ik voor hem. We zullen dit nieuwe hoofdstuk zelf moeten schrijven. We kunnen niet copy-pasten, we hebben geen script om op terug te vallen, we beschikken zelfs niet over de juiste woorden.

Ik weet nog niet goed hoe ik hem moet noemen. Hij is geen papa, geen vaderfiguur. Mijn donor is hij eigenlijk ook niet – die was hij voor mijn ouders. Hij is ook niet zomaar een vriend of een kennis, want daarmee deel je geen bloedband. Hij is iemand tot wie ik me op een unieke manier verhoud, maar wat dat precies betekent, en hoe ik het moet benoemen, daar zal ik nog een tijdlang zoekende in zijn. Gelukkig is er tijd. En gelukkig is hij er om me te helpen zoeken.

–De andere kant van het verhaal–

Ooit – meer dan een generatie geleden – ben ik spermadonor geweest. Anoniem. Dat bleef knagen, tot ik de vraag van donorkinderen hoorde: “Waar kom ik vandaan?”.

Ooit – meer dan een generatie geleden – ben ik spermadonor geweest. Anoniem, zo was het toen in donorland. Niemand, niets heeft er een naam. Het potje (met ‘het’ als inhoud) verdwijnt in een obscure witte jaszak, sotto voce wordt een nieuwe afspraak gemaakt, en dan maar wegwezen door de lege gangen naar de warme zon buiten.

Op een andere plek in het desolate ziekenhuis wacht een ouderpaar. Bij het hele opzet voel ik me eerder medeplichtige dan donor.

Ik word getroffen door hun oprechte vraag: “Waar kom ik vandaan?”.

Een generatie later hoor ik in de media de stem van donorkinderen. Wat al die tijd sluimerde, af en toe de kop opstak, wordt nu opnieuw én dwingend aangesproken. Ik hoor verhalen die me vastgrijpen en die ik kan begrijpen. Ik hoor vragen waar ik voorheen nooit bij stilgestaan heb. Ik word getroffen door hun oprechte vraag: “Waar kom ik vandaan?”. Ik voel een beetje van hun onrust, hun verwarring, hun gemis…

Ja, het raakt, maar het appelleert vooral tot actie. Even een klankbord zoeken in de vriendenkring. Ik merk dat we op onbekend terrein zitten, er bestaan geen woorden om dit alles te benoemen. Slechts één enkele keer hoor ik: “Recht op roots?, ze mogen blij zijn dat ze bestaan…”.

Neen, fluistert dan mijn hart, volg mij maar.

Match?

Meewerken aan een artikel te voeden, prima. Zo krijgt de anonieme realiteit aan de overkant een steeds duidelijker klinkende stem, een scherper gelaat.

Wat obscuur was komt nu verdomd dichtbij. Ik hoor vertellen over een DNA-databank, over FIOM*. In Nederland. Dit spreekt me aan, dit zie ik helemaal zitten. Na een tijdje uitzoeken en talmen neem ik de stap: ik laat bloed afnemen en analyseren.

Als een donorkind me zoekt, dan wil ik gevonden kunnen worden. Het mag, ik ben er klaar voor. Maar die omweg via Nederland maakt de kans op een ‘match’ zeer klein, zo schat ik het in.

Haar verhaal wordt nu ook – voor een deel – het mijne.

En toch, een week nadat het DNA-profiel in de databank is opgenomen krijg ik bericht dat er een ‘match’ gevonden is. Via Nederland en zo snel, zo makkelijk ? Waar wachten we – hier in België – nog op?

Het nieuws slaat in, ik voel me blij en het voelt ook helemaal okee. Ik wil heel onbevangen en open naar die ‘eerste’ ontmoeting stappen. Geen rugzakje met opmerkingen en indrukken van anderen. Daarom aarzel ik soms om het nieuws nu al te vertellen. Maar ik kan het niet voor mezelf houden, neen, dat lukt gewoonweg niet. “Je straalt, wat is er?” Het voelt ook wel goed om dit (mee) te delen…

Tijdens het voorbereidend gesprek met een FIOM*-medewerker kom ik haar naam te weten. Hij vertelt over haar, ik speur het web af naar foto’s van haar. Een beeld van dit donorkind komt tot leven, en ik voel me er heel veilig bij. Het ontroert ook, vele traantjes borrelen op, haar verhaal wordt nu ook – voor een deel – het mijne, onvermijdelijk. Wie zij als donor benoemt, dat ben ik.

Dochter? Vader?

De mededeling van een ‘match’ creëert opzich reeds een band. Ja, dit had ik op voorhand nooit geloofd. De ontmoeting die er aankomt is niet vrijblijvend, ik voel me nu reeds geëngageerd. Mijn hoofd kan het niet vatten, maar het is er, ik laat het gebeuren, met het hart op de stuurpost.

“Mijn donor is anoniem, ik zal nooit weten wie het is”.
“Jawel !”, wil ik al uitschreeuwen.

“Is dat nu een dochter? Ben je nu haar vader?” “Neen” was mijn spontane antwoord. Ik wil dit nog ‘broze’ gegeven een beetje beschermen, het gewoon laten zijn.

Dochter? Vader? Daar gaat het ook niet om en – nu, na 3 maanden – doet het er ook al helemaal niet meer toe. Zij is zij, en ik voel me verbonden. Ooit vinden we hier wel woorden voor, maar die zijn nu niet belangrijk. Voelen kan zonder woorden… en het voelt warm en liefdevol. Dit geef ik nu niet meer af.