Erik_donor_Volkskrant artikel

Erik verteld over zijn ervaringen als donor

19 augustus '19

Erik Beijen (72) weet sinds afgelopen jaar dat hij maar liefst acht kinderen heeft. Als anonieme zaaddonor had hij er nooit rekening mee gehouden ooit oog in oog met ze te zullen staan.

Een vrijbuiter was Erik Beijen, totdat hij rond zijn 45ste ineens besefte dat het te laat was om nog een gezin te stichten. Voor een gezin moet je een langdurige, stabiele relatie hebben vond hij, en die had hij niet. Een kinderwens had hij eigenlijk ook niet. Het was meer dat hij inzag dat een burgerlijk leven, waar veel van zijn vrienden in verzeild waren geraakt, aan hem voorbij zou gaan. De bioloog werkte als redacteur buitenland bij het Algemeen Nederlands Persbureau (ANP), en leidde daarnaast een ‘wild’ leven. In zijn vrije tijd was hij vaak te vinden in kroegen en discotheken. Of hij was onbereikbaar want op reis in tal van uithoeken van de wereld.

Als veertiger begon Beijen zijn wilde haren te verliezen. Het was ook in die periode dat zijn aandacht, bladerend door een huis-aan-huisblad, werd getrokken door een opmerkelijke advertentie. Een kliniek zocht anonieme zaaddonoren. Beijen vouwde het krantje weer dicht en legde hem in zijn goedgevulde papierbak. De oproep liet hem niet los. Dus viste hij de krant weer uit de bak, zocht de advertentie op en dacht: ‘Als ik zelf geen gezin sticht, dan kan ik wel een ander helpen die wens in vervulling te laten gaan.’ Hij belde de kliniek en liet zich inschrijven als zaaddonor. Het waren de jaren negentig van de vorige eeuw, waarin anoniem doneren nog was toegestaan. Vijf jaar lang, van 1994 tot 1999, ging hij met enige regelmatig langs de kliniek om ‘iets achter te laten’. Beijen maakte zich geen voorstelling van de gevolgen, zijn gedachten stopten bij de donatie zelf. ‘Anoniem betekent dat je ervan uitgaat de kinderen nooit te zullen zien.’

Maar er was één vrouw die graag met hem in contact wilde komen, om haar kind kennis te laten maken met haar biologische vader. Via de kliniek hoorde hij van haar wens. Beijen hield jarenlang de boot af. De arts moedigde hem daarin aan. De vrouw bleef vragen. Uiteindelijk won zijn nieuwsgierigheid het en op de allerlaatste dag dat Beijen in 1999 de kliniek bezocht, vertelde hij een medewerker dat de vrouw hem een brief mocht schrijven. Die bleek al klaar te liggen. En het was niet zomaar een brief.

Ik heb een fotoboek gemaakt voor alle kinderen, waarin zij mij en hun voorouders leren kennen

Terug in zijn auto scheurde Erik Beijlen de envelop open en kwam er een serie foto’s tevoorschijn van een klein blond meisje, van een baby met mollige beentjes in een wipstoeltje, tot een vrolijke kleuter van 5 jaar. De moeder bleek elk jaar de kliniek een foto te hebben gestuurd. Beijen werd overmand door emoties: dit schattige meisje was zijn dochter. Hij besefte dat hij vanaf dat moment geen donor meer was, maar vader. Behoedzamer en geconcentreerder dan ooit stuurde hij vervolgens zijn auto naar huis. Want nu hij vader was, mocht hem onderweg niets overkomen.

Erik Beijen vertelt zijn verhaal in de huiskamer van zijn appartement in Den Haag. Zijn partner Willeke luistert achter in de huiskamer mee. ‘Je was erg emotioneel, tot huilens toe’, herinnert ze zich het telefoongesprek dat hij bij thuiskomst met haar voerde. ‘Ik ben vader geworden, zei je.’ Erik en Willeke woonden in die tijd nog niet samen. Zij had nog twee opgroeiende dochters thuis en die dulden geen ‘vreemde’ man in huis.

Heeft u uw dochter ook ontmoet?

‘Eerst ontstond een uitgebreide briefwisseling tussen haar moeder en mij, daarna een ontmoeting. Ze bleek een sympathieke vrouw. Zij wilde natuurlijk eerst zien wat voor vlees ze in de kuip had, voor een volgende stap kon worden gezet. In 2005, toen het meisje 11 jaar was, heb ik haar voor het eerst ontmoet. Dat was natuurlijk doodeng voor haar. Een vreemde man die je vader blijkt te zijn. Ik vond het zelf ook spannend, maar voelde meteen een band, een trots vadergevoel van: zij is mijn dochter! Korte tijd later heb ik haar officieel erkend.’

Het is niet bij deze ene dochter gebleven. Hoe hebben de andere kinderen u kunnen vinden?

‘De publiciteit over kinderen van anonieme zaaddonoren die op zoek gingen naar hun biologische vader, zette mij aan het denken. Bovendien vond ik het erg leuk om vader te zijn van mijn dochter. Daarom besloot ik mijn dna af te staan aan de KID DNA-Databank van het Fiom. Mochten uit mijn donaties nog meer kinderen zijn geboren, dan konden zij mij vinden. Er gebeurde niks. In 2017 stuurde ik wangslijm op naar FamilyTreeDNA in de Verenigde Staten. Datzelfde jaar volgde een e-mail: we have two matches. En toen had ik er ineens een zoon en dochter bij, een broer en zus uit één gezin van een alleenstaande moeder. Ze waren erg opgelucht dat ze dezelfde biologische vader bleken te hebben. Kort daarna was er nog een match: een zoon, die op fietsafstand van ons huis woonde. Zijn niet-biologische vader was overleden. In september vorig jaar kwamen er via het Fiom nog drie zusjes bij. Dus toen waren het er zeven. Daarna volgde een achtste dochter. Zij heeft als enige nog geen contact gezocht, dus van haar weet ik niks.’

Voelt u zich vader van alle zeven, of acht kinderen?

‘Ik moet nog wennen aan het vadergevoel. Ik weet niet zo goed wat dat is. Als ik de kinderen zie ben ik blij en trots. Als bioloog weet ik dat de trots die je voor je kinderen voelt een biologisch gegeven is, en nu ervaar ik dat het inderdaad zo is. Maar het is natuurlijk zo dat ik niet zoals andere vaders hun luiers heb verwisseld, hen in bad heb gedaan en woordjes heb geleerd. De natuurlijk gevormde band is er niet, maar een bloedband voel ik wel. Ik ben onzeker over mijn rol. Ik zou meer contact willen dan normaal is om te verlangen. Het is aftasten wat de kinderen van mij willen. Sommigen zijn opgegroeid met alleen een moeder, anderen met een vader. Dat zal verschil maken. Ik stel mij afwachtend op, zie wel hoe het loopt. Zonder Willeke zou ik mij geen raad weten. Zij is de lijm tussen de kinderen en mij, want zij communiceert makkelijker dan ik. Ook heeft zij zo nu en dan contact met de moeders.’

Hoe probeert u invulling te geven aan uw plotselinge vaderschap?

‘Ik heb een fotoboek gemaakt voor alle kinderen, waarin zij mij en hun voorouders leren kennen. Ze zien de reizen die ik heb gemaakt, de jongen die ik was, geboren in Peru en opgegroeid in Venezuela. Hun Joodse grootmoeder was tijdens de Tweede Wereldoorlog uit Duitsland via Engeland naar Zuid-Amerika gevlucht, waar ze hun grootvader leerde kennen.

‘In het album zien ze een foto van hun overgrootvader, die in de Eerste Wereldoorlog aan het westelijk front vocht en sneuvelde. En een portret van hun Joodse overgrootmoeder, die tijdens de Tweede Wereldoorlog is omgebracht in Auschwitz. Kort nadat ik mijn kinderen die broer en zus zijn het familieboek had gegeven, zijn zij samen naar Auschwitz gegaan, ter nagedachtenis van hun overgrootmoeder. Dat raakte mij en ik concludeerde dat het ze iets doet, de familie waar ze nu bijhoren. De dochter die het eerst en nog jong in mijn leven kwam, is de enige die mij ‘pap’ noemt. Dat flapte ze er voor het eerst uit toen Willeke en ik op haar 16de met haar op vakantie gingen naar Italië, tijdens een stoeipartij op het hotelbed. Ik was er stil van, en voelde mij geaccepteerd.

‘Vorig jaar hebben we alle, toen nog vier, kinderen uitgenodigd voor een vakantie, om hun halfbroers en -zussen en ons beter te leren kennen. We hadden een landhuis in Italië gehuurd; met zijn allen eten aan een lange tafel, als een grote Italiaanse familie, en uitstapjes maken naar Rome. De kinderen en kleinkinderen van Willeke waren er ook bij. In september gaan we naar Mallorca. Zodra de uitnodiging de deur uit was, was het spannend hoe ze zouden reageren. Alle kinderen hebben inmiddels laten weten te komen.’

Hoe reageren de kinderen op u?

‘Het is niet zo dat ze meteen in je armen springen. Ik blijf iemand die later in hun leven is komen aanzetten. Voor mij zijn het kinderen die ik 20 jaar heb gemist, een gevoel dat pas kwam toen ik ze voor het eerst zag. Ik heb geen idee wat ik voor hen beteken en kan alleen maar hopen dat er iets groeit.’

Ziet u overeenkomsten en gelijkenissen?

‘De dochter van de broer en zus, lijkt sprekend op mijn moeder: hun neus en stralende lach zijn identiek. Eerst had ze een hekel aan haar neus, maar sinds ze de gelijkenis in het fotoboek heeft gezien, niet meer. Een van mijn zoons is net zo groot en lang als ik. Verder zie ik niet zo veel gelijkenissen, anderen wel.’

Heeft dit late vaderschap uw leven op zijn kop gezet?

‘Nou, het is niet zo dat we de deur bij elkaar platlopen. De eerste dochter die ik nu 13 jaar ken, zie ik vrij vaak, een paar keer per maand. Het zijn allemaal volwassenen die hun eigen leven leiden. Wel sta ik nu anders in het leven. Ik ben niet de jongste meer en voel haast om nog veel van hen mee te maken. Daarom ben ik gaan fitnessen en heb ik een duurder telefoonabonnement genomen, zodat ik altijd online bereikbaar ben.’

Waarom wilt u uw verhaal vertellen? Door de affaire rond de omstreden vruchtbaarheidsarts Jan Karbaat is het beeld van zaaddonors niet onverdeeld positief.

‘Juist daarom wil ik er een positieve ervaring tegenoverstellen. Natuurlijk heeft Karbaat de plank misgeslagen. Maar het kan ook anders. Met al mijn kinderen is het uitzonderlijk goed uitgepakt. Ze weten nu allemaal wie hun biologische vader is. Soms denk ik: hoe is het toch mogelijk dat ik de vader ben van al deze leuke, volwassen mensen? Ik vind het een geweldige ervaring.’